En op een nacht, toen Arrav het land van de dromen bezocht, trof hij een man aan, helemaal gekleed in het zwart, met een bleke huide en een zwart gelaadt. En ook al wist Arrav dat hij in het Land van de Dromen was, waar dingen niet altijd zijn wat ze lijken, zag hij dat deze man anders was dan de andere reizigers die hij hier had aangetroffen. Toen noemde de man hem bij zijn naam en zei:
‘Ik weet wie je bent, Arrav uit Avarrocka, vloek van de goblins, jager van het Witte Hert, kind van de zon en de maan. Ik weet wie je bent, en ik ben niet bang voor jou. Ik ben Zemouregal van de Mahjarrat, en het is aan mij dit land van jou in te nemen. Ik heb onze toekomsten gezien, want die zijn verweven in elkaar, en die eindigen met jouw totale ondergang door mijn hand. Jij zal me voor eeuwig dienen en mijn slaaf zijn, en de plaats waar jij zo van houdt, zal door mijn handen vernietigt worden.’
En toen Arrav wakker werd was hij erg bang geworden, want hij wist niet hoe je een vijand kon verslaan die in het Land van de Dromen verscheen, en hij bleef het herinneren, terwijl hij dromen normaal vergat met het verstrijken van dag. En dus ging Arrav naar de ouderen toe.
De ouderen van de stam konden echter niet verklaren hoe zo’n man aan hem kon verschenen zijn in het Land van de Dromen, en waren erg ongerust.
7 dagen en nachten lang bespraken de ouderen Arrav’s ontmoeting in het Land van de Dromen, en iedereen was het ermee eens dat dit een slecht voorteken was en dat Arrav niet langer in Avarrocka kon blijven, omdat ze bang waren dat vijanden de plaats zouden overvallen, zolang Arrav bij hun was. Dus besloten ze dat Arrav op een opdracht gestuurd moest worden die hij nooit zou kunnen voltooiien, zodat ze hun dorp de toorn van de verschrikkelijke man zouden besparen. Arrav’s kracht en weisheid betekende wel dat geen enkele normale opdracht aan hem gegeven kon worden want hij kon makkelijk elke vijand verslaan en elk voorwerp bemachtigen.
Toen, op de zevende dag sprak de oudste van de ouderen. Hij had een vage herrinering uit zijn jeugd over een verhaal over een fabuleus schild dat niet aan deze wereld toebehoorde, en dat bestand was tegen bijna elke aanval, maar waarvan de verblijfplaats niet bekend was. Toen de andere ouden over dit verhaal hoorde waren ze allemaal verrast, want niemand van hun had ooit gehoorden over dit schild, en ze vroegen zich af hoe de oude man zo’n vage herrinering zo duidelijk kon herrineren. Om eerlijk te zijn, de oudste man kon het zelf ook niet uitleggen hoe het kwam dat deze herrinering zo duidelijk was terwijl hij had geslapen. Maar iedereen was het ermee eens dat dit de perfecte opdracht was om Arrav van Avarrocka uit Avarrocka weg te houden en het zo de beschermen tegen het voorteken dat ze zo vreesden.
Een vreemde ontmoeting.
Zo kwam het dat de ouderen van Avarrocka Arrav vertelde over dit schild, en dat het van belang was voor de veiligheid van hun stad. Arrav stemde hiermee in en begon zijn spullen te pakken voor een lange reis. Naast het zwaard, dat hij had gekregen toen hij nog trainde als een kind, nam hij ook genoeg brood en gekookt vlees mee, om hem 7 dagen te laten overleven in de land buiten Avarrocka, waar mensen bang waren om te komen zodat ze in de veiligheid van de stad en de landen rondom de stad bleven.
Toen Arav nog niet lang onderweg naar het westen was, stuitte hij op een vreemd huis, omringd door mist. Hij vroeg zich af wat soort of iets hier nou zou willen verblijven en onbevreesd stapte hij het huisje binnen waar hij drie mannen zag zitten, die aan een tafel zaten en ruzie aan het maken waren. Het onderwerp werd heftig besproken en ze merkten Arav niet op toen hij binnenkwam.
De taal die de mannen spraken was vreemd, en onverstaanbaar, maar toch kon hij iets begrijpen van waar ze het over hadden, en het leek erop dat het over de rechtmatige eigenaar van het huis ging, waar ze in waren. Hij begreep niet veel van de ruzie, maar het leek erop dat de eerste man aan het uitleggen was hoe de anderen waren binnen geslopen, toen hij lag te slapen en hoe ze het huis hadden gestolen dat hij voor zichzelf gemaakt had.
Arrav vroeg zich af wat de man bedoelde met de ‘anderen’, en merkte enkele kleinere figuren op, bijna te klein om op te merken, gehuld in de schaduw van de tafel, fluisterend met elkaar, zo zacht dat hij er niks van kon horen. De geluiden van deze plaats maakten Arrav bezorgd en hij besloot verder te gaan met zijn reis en dit vreemde huis achter hem de laten, want de dingen die hij had gezien maakten hem erg bezorgd. Arrav reisde verder naar het westen, de geluiden van de ruzie achter zich latend, tot hij ze niet langer meer kon horen.
Een ontmoeting met the Imcando.
De reis ging verder en hij reisde vele mijlen, al zoekend naar de mensen die meer wisten van het schild dat hij zocht en hij stak een grote rivier over dat zich uitstrekte van het noorden naar het zuid, zover als hij kon zien, en dichtbij een stadje en een berg, bedekt met ijs. Aan de voet van deze grote ijsberg ontdekte Arrav een ras dat hij nog nooit had gezien; ze leken op mensen, maar dan korter, en ze bleken onbevreesd te zijn, toen Arrav verscheen.
Hij vroeg aan hem of ze iets wisten over het schild dat hij zocht, en ook al ontkenden ze iets te weten over dit voorwerp, hij kon in hun ogen een waakzaamheid zien, dat hem daaraan liet twijfelen. Arrav toornde hoog boven ze uit en vroeg wie ze waren en ze antwoordden hem: ‘Wij zijn van de clan Imcando, tot ver weg bekend om onze vaardigheden met wapens,’ en ze waren verbaasd dat hij geen respect voor hun had.
Hij was er zeker van dat deze dwergen meer wisten over het schild dat hij zocht, dan ze toegaven. Arrav besloot bij ze te blijven en hun vertrouwen te winnen, en mischien meer over het schild of zijn verblijfplaats leren.
Vele manen ging voorbij terwijl Arrav bij de dwergen bleef, en op een gegeven moment riep de Imcando leider Arrav tot hem.
‘Jouw wegen zijn vreemd voor ons, Arrav van Avarrocka, maar we zien de eer die je met je meedraagt. Toen je voor het eerst bij ons kwam had je het over een vreemd schild. Ik weet dat je denkt dat wij er meer over weten, en daarom heb ik je hier geroepen. We hebben jou onze gastvrijheid aangeboden en nu we je beter hebben leren kennen zien we dat je iemand bent met eergevoel, dus vertel ons nu waarom je dat het schild zoekt, want het is één van onze grootste schatten en we kunnen niet toestaan dat het in de handen valt van iemand die het niet verdient.’
Arrav vertelde over de ontmoeting met de zwart geklede man in het Land van de Dromen en bij het noemen van de naam “Zemouregal” zag hij een donkere trek vallen over het gelaat van de dwerg.
‘We kennen deze man, die zichzelf Zemouregal noemt. Al vele jaren probeert hij dit schild in handen te krijgen, want het is een machtig schild dat hem veel kracht zal schenken tegen alle rassen, als hij het krijgt. Lang geleden hebben we besloten dat dit nooit mag gebeuren, want wij, dwergen, hebben herinneringen over de tijden dat de goden over dit land liepen, en die niet wilden dat zo iemand terugkeerde. Ook al weten wij dat je een man bent van moed en kracht, je kan Zemouregal niet verslaan, en we moeten hem nooit de kans geven om het schild in handen te krijgen. Ik ben bang dat hij jouw heeft gemanipuleerd om het schild te zoeken, dus we moeten je vragen om te vertrekken, omdat je continue aanwezigheid hier, hem alleen maar alert maakt op onze nederzetting.’
Arrav’s hart vulde zich met droefheid toen hij deze woorden hoorde, want hij was gewend geraakt om tijd door de brengen met de Imcando en hun manier van mijnen en smeden te leren. Hij erkende echter de wijsheid van deze woorden. Terwijl de dwerg tegen hem sprak, realiseerde hij zich waarom de ouderen van Avarrocka hem op een opdracht hadden gestuurd. Ze waren bang voor hetzelfde waar de Imcando dwergen bang voor waren; dat Arrav niets anders kon brengen dan problemen voor hun, zolang hij bij ze bleef. Met een bedroefd hart vervolgde Arrav zijn opdracht, want hij wist dat hij het schild moest vinden, of hij de hulp van de Imcando had, of niet.